Maandag 30 maart

Eind maart 1990 verscheen in New York Chromos, een nooit eerder gepubliceerde roman van een schrijver die niet lang daarvoor was ingehaald als een literaire sensatie: Felipe Alfau, een Spaanse immigrant die in 1936 was gedebuteerd met de roman-in-verhalen Locos en die daarna in vergetelheid was geraakt. Ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van het baanbrekende (en inmiddels weer bijna vergeten) Chromos een longread over de schrijver en zijn werk, dat nodig weer herontdekt moet worden.

***

‘Deze… roman is geschreven in korte verhalen, met als doel de taak van de lezer te vereenvoudigen. Op deze manier hoeft de lezer niet bij het voorplat van het boek te beginnen en te eindigen in de buurt van het achterplat.’

Alfau Locos (Nld)Met deze bemoedigende woorden begint Locos: een gebarenkomedie, het eerste boek van de Spaans-Amerikaanse schrijver Felipe Alfau. Het is een wonderlijke bundeling van bizarre verhalen. Over de arme Fulano bijvoorbeeld, een man die zo onopmerkelijk is dat zelfs bedelaars hem niet zien staan, en die zelfmoord pleegt om zichzelf een identiteit te verschaffen. Over Señor Olózaga, de “Zwarte Mandarijn’, die zijn zoontje geroosterd op tafel zet om zijn vrouw te vernederen. Of over de zoon van de uitvinder van de vingerafdrukkentheorie, Don Gil de Bejarano, die liever voor moord de gevangenis in gaat dan toe te geven dat zijn vaders theorie feilbaar is.

Gekker nog dan de personages in Locos zijn de bochten waarin de verhalen zich wringen. In het voorwoord verontschuldigt de schrijver zich al: hij heeft zijn romanfiguren niet in de hand; ze rebelleren tegen hun schepper, storen zich niet aan tijd en ruimte en hebben een gebrekkige kennis van de werkelijkheid. “Het resultaat hiervan”, waarschuwt hij, “is een zootje tegenstrijdige personages, even inconsequent als hun auteur en al even onhandig in hun optreden.” De lezer moet dan ook niet schrikken als de Zwarte Mandarijn zich in een voetnoot bemoeit met de invulling van zijn karakter, of wanneer een ander personage gebruik maakt van een korte afwezigheid van de schrijver om zijn eigen weg te gaan.

Alfau LocosDe lezer amuseert zich, hij lacht om de onverwachte wendingen en probeert – vergeefs – de roman achter de korte verhalen te reconstrueren. Maar raar opkijken doet hij niet. Het tot ‘leven’ komen van personages, het spotten met de conventies van de roman, de spelletjes met werkelijkheid en fictie – het is allemaal bekend uit het werk van Nabokov, Borges, Calvino, Pynchon en andere ‘postmodernisten’. Wie boeken als Uitnodiging tot een onthoofding of Als op een winternacht een reiziger heeft gelezen, zou zelfs kunnen denken dat Locos een ouderwets boek is. Ten onrechte, want Felipe Alfau schreef Locos aan het eind van de jaren twintig, toen het postmodernisme nog niet was uitgevonden en Nabokov nog aan zijn vervreemdende werk moest beginnen. Alleen de zes personages op zoek naar een auteur van Pirandello (1921) waren Alfau’s ‘locos’ voorgegaan.

Alfau was een experimenteel schrijver; wanneer je daarmee als schrijver succes hebt, al is het maar in bescheiden kring, dan is dat iets om te koesteren en goede sier mee te maken. In Alfau’s geval was het een vloek. Acht jaar lang leurde hij in zijn woonplaats New York met het manuscript van Locos; toen het boek in 1936 eindelijk werd uitgegeven, las bijna niemand het. Het was té modern; slechts een handvol critici kon Alfau’s literaire experimenten en ongewone humor waarderen, en de gedrukte tweeduizend exemplaren werden met moeite verkocht. Voor zijn tweede roman Chromos, die hij voltooide in 1948, vond Alfau niet eens een uitgever. Hij was zo teleurgesteld dat hij stopte met schrijven; de rest van zijn carrière werkte hij, gefrustreerd en vergeten, als vertaler bij een bank in Broad Street.

AlfauGeboren in 1902 als zoon van een provinciegouverneur in Spaans Baskenland, kwam Alfau tijdens de Eerste Wereldoorlog met zijn familie naar New York, waar hij wiskunde studeerde en muziekkritieken schreef voor de Spaanstalige krant La Prensa. Anders dan veel andere miskende kunstenaars maakte hij nog mee dat de tijd hem rehabiliteerde. Maar zijn onverhoopte succes liet hem koud. Toen het in vergeten boeken gespecialiseerde Dalkey Archive hem in 1987 opspoorde in een kelderappartement op Manhattan, ging hij akkoord met de heruitgave van Locos; ook gaf hij de uitgeverij het manuscript van Chromos. Verder wilde hij in niets meer herinnerd worden aan zijn schrijverschap. Interviews weigerde hij, zijn uitgever wilde hij niet zien, en het geld dat zijn boeken opbrachten, moest maar besteed worden aan het publiceren van veelbelovende debuten.

Locos (de Nederlandse vertaling is van Peter Elberse) werd in 1988 door de Amerikaanse kritiek onthaald als een meesterwerk. En het twee jaar later gepubliceerde Chromos (vertaald door Barbara de Lange) was een van de vijf nominaties voor de belangrijke National Book Award. Ter gelegenheid daarvan zochten twee mensen van de uitgeverij en enkele journalisten Alfau op in een bejaardentehuis in Queens. Het werd een deprimerend onderhoud. De schrijver van de droevige figuur keek zijn bezoekers de deur uit, en wilde alleen kwijt dat hij het leven moe was. “Life is an inconvenience”, zei hij, “ik zou het liefst vandaag nog dood gaan, maar ik moet geduld hebben. Katholieken plegen geen zelfmoord.” Hij stierf uiteindelijk in 1999.

Alfau Locos (Sp)Zo triest als de figuur Alfau is, zo monter zijn zijn boeken. Zelfs wanneer zijn verhalen over de dood gaan, of, zoals in Chromos, over de frustraties van de Spaanse gemeenschap in New York, dan nog staat op bijna iedere bladzij een dialoog of een beschrijving waar hardop om te lachen valt. In Locos ligt de humor vooral besloten in de absurde situaties die de schrijver tot uitgangspunt neemt: een gelijktijdige conventie van politieagenten en zakkenrollers in een verduisterd Madrid, of de lijdensweg van een vrouw die heel letterlijk flirt met de dood. In Chromos kan zelfs de beschrijving van doodgewone zaken, zoals het maken van paella of het rondhangen in een café, geladen zijn met aanstekelijke ironie.

Chromos is een roman die net als Locos niet keurig van voor- tot achterplat gelezen hoeft te worden. Het kan zelfs een voordeel zijn om ergens middenin te beginnen en door het lezen van een van de vele afgeronde verhalen de smaak te pakken te krijgen. Het eerste hoofdstuk van het boek loopt namelijk nogal stroef, met veel lange zinnen, ingewikkelde woorden en moeilijk te doorgronden discussies. Misschien heeft Alfau dit zo bedoeld – per slot van rekening luidt zijn eerste zin: ‘Zodra je Engels leert, ontstaan er problemen’ – maar je kunt beter doorbladeren naar het verhaal over de superzwendel van twee Spaanse Amerikanen die chlorofylzalf aan de man brengen. Met behulp van dit wondermiddel, zo maken ze de Amerikanen wijs, kan de mens net als de plant zonnestralen omzetten in energie en voedingsstoffen. Onder het motto ‘Planten eten geen biefstukken’ worden tonnen van het groene goedje aan lichtgelovige zonaanbidders verkocht. ‘Stranden als Coney Island hadden voorheen op warme dagen misschien de aanblik geboden van lange rijen bleke spaghetti, maar nu zagen ze eruit als velden van groene lintmacaroni, net of ze door een of andere vorm van bewegend planteleven waren overwoekerd.’

Boeken met dit soort passages leg je niet meer weg, net zo min als je de televisie uitzet wanneer John Cleese het Ministry of Silly Walks binnengaat. Chromos bleek nog meer verrassingen te bieden: een parodie op een Spaanse familieroman, een Dorian Gray-achtig filmscript over een man die het vermogen bezit ‘om tijd over te slaan’, een discussie-zonder-eind over de handicaps van de romancier – alles opgenomen in een grote raamvertelling over de lotgevallen van een groep Spaanse Amerikanen in het Harlem van de jaren dertig.

Alfau Chromos“Hier zitten we dan met zijn allen in New York, maar niemand weet waarom en het kan niemand iets schelen.” Aan het woord is Don Pedro Guzman O’Moore Algoracid, bijgenaamd ‘de Moor’ – wiskundige, filosoof en een van de hoofdpersonen van Chromo’s. Zoals veel emigrés is Don Pedro geobsedeerd door het land van herkomst en door de positie van zijn landgenoten in het nieuwe vaderland. ‘Amerikaanjaarden’ noemt hij ze schamper, naïeve dromers die samenklonteren met lotgenoten, terugverlangen naar de ruimte en tijd van de Spaanse cultuur, en zonder het te merken worden opgeslorpt door Amerika. Don Pedro ziet ze afglijden. Hij kapittelt Lunarito, die haar gazpacho met ijsklontjes maakt: “Eerst een koelkast… gemakkelijk. Dan platte schoenen… gemakkelijk. Daarna de verdwijnende paella en je vergeet je taal, je vergeet jezelf.” Maar liever platte schoenen dan het kameleongedrag van de ‘groene man’, de Spanjaard die Amerikaanser wil zijn dan de Amerikanen (en dus als eerste de chlorofylzalf probeert): “Kijk hem toch eens (-) het volmaakte voorbeeld van de berouwvolle vreemdeling (-) Weet niet waar het allemaal om gaat en ziet iets over het hoofd wat we in Spanje al lang zeggen: dat er geen indianen meer zijn in Amerika.”

Don Pedro’s bespiegelingen worden veelal ter tafel gebracht in El Telescopio, het café waar uit de fles wordt gedronken omdat iemand de gasten heeft wijsgemaakt dat dat de gewoonte is in Spanje. Ze worden opgetekend door een vriend van Don Pedro, een vertaler met een klerkebaantje die zich het wel en wee van de Spaanse gemeenschap herinnert in een lange flashback. In Locos heette de schrijvende ik-figuur nog Felipe Alfau, in Chromos wordt zijn naam nergens genoemd. Wel die van zijn alter ego, Garcia, een eigenwijs en ambitieus mannetje dat probeert in Amerika door te breken met een roman over Spanje. ‘Garcia (-) droomde ervan te worden uitgeroepen tot iemand die stoutmoedig duikt in de diepten van de ziel, het gedrag en de verdorvenheid van de mens; hij had visioenen van choquerende openbaringen over het abnormale, van lugubere passages met diepzinnige conclusies die nooit worden onthuld, en al die dingen die niemand serieus neemt en die al lang achterhaald zijn.’

Garcia dwingt de hoofdpersoon om te luisteren naar zijn epos over de familie Sandoval. Naarmate het boek vordert, krijgen zijn lachwekkende pogingen om een overtuigend verhaal te schrijven iets symbolisch. Garcia weet duidelijk niet wat het Amerikaanse publiek zou willen lezen, en zijn beeld van Spanje is uitgegroeid tot een ‘groot, kunstmatig, internationaal cliché’. Maar, lijkt de schrijver van Chromo’s zich af te vragen, is niet iedere Spanjaard die in een vreemde taal schrijft gedoemd te mislukken? Beginnen de problemen inderdaad zodra je Engels leert?

Alfau Chromos (Fr)Het lijkt alsof Felipe Alfau in Chromos heeft geprobeerd om af te rekenen met zijn frustraties over het floppen van zijn eerste roman. Natuurlijk, hij is een beter schrijver dan de stuntelende Garcia met zijn ‘spervuur van clichés dat zelfs de wanhopigste aanval van overmoedige lezers zou hebben afgeweerd’. Maar beide Amerikaanjaarden delen het lot van de emigrant-auteur. Voor beiden is het ‘de verkeerde plaats en het verkeerde moment’. Tegen beter weten in blijven ze het proberen, blijven ze ‘dorsten naar begrip’ in de kruipruimte tussen twee culturen.

Garcia’s familie-epos, plus het droge commentaar van de ik-figuur daarop, beslaat ongeveer een derde van Chromos. De rest van het boek is gewijd aan een groot aantal andere memorabele Amerikaanjaarden. Op onverwachte momenten en in een hoog tempo worden ze door de schrijver het verhaal binnengeloodst, om zich vervolgens te verankeren in het geheugen van de lezer – de zwendelaar die gedehydreerd water verkoopt naast de man die verliefd wordt op een etalagepop, en de altijd klagende Doña Dolores naast haar opgezette echtgenoot Don Hilario. Wanneer ze aan het eind van het boek allemaal bijeenkomen voor een groot feest in El Telescopio, is het beeld ontstaan van een gesloten kolonie die nauwelijks wordt opgemerkt door de rest van New York, en waar de logica van de Nieuwe Wereld niet van toepassing is.

Tot aan de laatste bladzijden valt Chromos te lezen als een nostalgisch boek. De ik-figuur kijkt terug op een geborgen wereld die niet meer bestaat, en denkt: ‘et in Arcadia ego’. Maar in de indrukwekkende slotpassage van Chromos is voor dit soort gevoelens geen plaats. De schrijver beseft dat de figuren en de geschiedenissen die hij beschrijft niet zo groots en kleurrijk waren als ze nu misschien schijnen. ‘Naarmate dergelijke gebeurtenissen verder weg zijn worden ze (-) groter, maar net als bij foto’s gaat de vergroting ten koste van de scherpte en uiteindelijk worden ze zo vaag dat ze onbegrensd lijken.’ Dan wordt ook duidelijk waarom de schrijver zijn boek Chromos heeft genoemd; alles bij elkaar is het bonte verleden van de Spaanse emigranten niet meer dan een hoopje verbleekte kleurenplaatjes, ‘chromo’s in verval’: ‘Dit was er uiteindelijk terechtgekomen van de grootse visioenen die de conquistadores hadden opgeroepen: rapsodische, nomadische incidenten met vergeelde rafels van vergane glorie, misplaatst en verouderd.’
Eigenlijk, zo wil de auteur ons doen geloven, is het allemaal de moeite van het opschrijven niet waard geweest.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de bijlage CS Literair van NRC Handelsblad, op 13 maart 1992

Advertenties

One thought on “Maandag 30 maart

  1. Heerlijk! Zijn de bijlagen CS Literair NRC ook gebundeld? Alfau was ik in de Dikke Steinz wrs niet tegengekomen (alleen in een ‘postzegel’ op blz 427) – en heb ik in 1992 kennelijk gemist.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s