Vlaamse Primitieven

Wat maakt Het Lam Gods, het altaarstuk van de gebroeders Van Eyk in Gent zo bijzonder?

***

Het paneel 'De Rechtvaardige Rechters' van Het Lam Gods

Het paneel ‘De Rechtvaardige Rechters’ van Het Lam Gods

Ze waren niet allemaal Vlaams, en allesbehalve primitief. Toch zijn de baanbrekende laaglandse schilders uit de vijftiende eeuw de geschiedenis ingegaan als de Vlaamse Primitieven. Dat kwam door de grote ‘Exposition des Primitifs Flamands’ die in 1902 werd gehouden in Brugge, de stad waar schilders als Jan van Eyck, Hans Memling, Petrus Christus en Gerard David hun beste werk hadden gemaakt. Het woord primitif uit de titel van de tentoonstelling moest verstaan worden als ‘vroeg’ of ‘eerst’; en de Flamands kwamen uit onder meer Tournai (Rogier van der Weyden) en Haarlem (Dirk Bouts), zodat de tegenwoordige wetenschappelijke benaming ‘vroeg-Nederlandse schilders’ heel wat beter op zijn plaats is.

Hans Memling: Man met munt (1485)

Hans Memling: Man met munt (1485)

What’s in a name? Het gaat erom dat een groep kunstenaars, op het breukvlak van late gotiek en renaissance, een schilderkunst ontwikkelde die de opdrachtgevers rond 1450 technisch en emotioneel verblufte en bijna zes eeuwen later nog steeds drommen mensen ontroert. De religieuze taferelen van Van der Weyden en Bouts, de portretten van Memling en Christus, de altaarstukken van Hugo van der Goes en Jan van Eyck luidden niet alleen de noordelijke renaissance in, maar maakten ook grote indruk op kunstenaars uit Italië en Spanje. De Florentijnen Ghirlandaio en Botticelli bewonderden de portretten en altaarstukken uit de Nederlanden, de Venetianen Messina en Bellini ‘leenden’ de kleur en het licht van de Primitieven , en aan de Spaanse hoven waren de Vlamingen zo populair dat de hele vijftiende-eeuwse schilderkunst pintura hispano-flamenca wordt genoemd. De handelscontacten tussen het rijke Vlaanderen en Zuid-Europa deden als smeerolie voor de beïnvloeding dienst.

Over olie gesproken: daarin lag de belangrijkste technische vernieuwing van de vroeg-Nederlandse schilders. Tot circa 1400 was er gewerkt met tempera, verf op basis van eigeel; daarna begonnen schilders te experimenteren met olieverf, laag voor laag opgebracht op mooie eikenhouten panelen – een garantie voor bestendigheid én voor subtiele effecten van het licht dat door de verschillende kleurlagen kan heendringen of weerkaatst wordt. Vooral Jan van Eyck (ca 1400-1441), die ook als de eerste reliëfgevende schaduwen in zijn werk introduceerde, was hier een meester in. Het lukte hem om stoffen en edelmetalen zo levensecht weer te geven dat zijn werk net zo hoog werd aangeslagen als dat van borduurwerkers en edelsmeden. Zijn geschilderd goud was spectaculairder dan het echte verguldsel dat zijn voorgangers op hun schilderijen aanbrachten.

Jan van Eyck: Het Arnolfini-portret

Jan van Eyck: Het Arnolfini-portret

Maar Van Eyck en zijn collega’s werden door hun fijnschildertechniek – die zijn oorsprong vond in het verluchten van boeken met miniaturen – ook de grondleggers van het westerse realisme. Ze waren opgegroeid in de tijd van de Internationale Gotiek, een via de Europese vorstenhoven verbreide stijl waarin elegantie belangrijker was dan diepte en waarachtigheid. Van Eyck maakte alles realistischer: het licht, de mensen, de kleren, de interieurs. Kijk maar naar Het portret van de Arnolfini’s (1434) in de National Gallery in Londen. De pasgetrouwde Italiaanse Bruggenaren mogen er wat stijfjes bij staan, ze zijn levensecht. Net als hun gezichten en de luxe stoffen waarin ze gehuld zijn. En wat te denken van het langharige mopshondje aan de voeten van de vrouw? Van de rondslingerende houten sandalen en de minutieus versierde kroonluchter? Of van de bolle spiegel aan de muur waarin niet alleen de kamer weerspiegeld wordt maar ook twee figuren in een deuropening? Je kunt begrijpen waarom het portret ook wel is omschreven als het eerste genreschilderij uit de moderne geschiedenis.

Van Eyck heeft wel meer felrealistische schilderijen gemaakt: De Madonna met kanunnik Van der Paele (1436) bijvoorbeeld, waarop de geestelijke met onderkinnen en groeven is afgebeeld (en een leesbril in zijn hand); De Madonna van kanselier Rolin (1435), met onder veel meer een weids doorkijkje naar een rivierlandschap; en natuurlijk Het Lam Gods, het mega-altaarstuk uit de Sint-Baafskathedraal in Gent dat Jan samen met zijn broer Hubert in 1432 schilderde. Een veelluik van twaalf op zichzelf al prachtige panelen dat zo’n beetje het  hele christendom samenvat. Met Jezus die aanbeden wordt in de vorm van een lam; Maria, God en Johannes de Doper boven hem; Adam en Eva (de eerste realistische naakten in de westerse kunst!) links- en rechtsboven; vier groepen figuren die zich naar de aanbidding van het Lam toe bewegen links- en rechtsonder; en daarboven musicerende en zingende engelen. Het realisme is zo consequent doorgevoerd dat aan de stand van de monden van de zangers te zien is of ze laag of hoog zingen.

Hubert en Jan van Eyck: Het Lam Gods

Hubert en Jan van Eyck: Het Lam Gods

Het Lam Gods is het beroemdste schilderij van de Vlaamse Primitieven, ook al omdat de polyptiek een bewogen geschiedenis kent. Het werd gered van de Beeldenstorm (1566), deels geroofd door de Franse bezetters van 1794, deels verkocht aan de Pruisische koning (1816), deels overlangs doorgezaagd in een Berlijns museum (1894) en herenigd in Gent door een clausule in het Verdrag van Versailles (1919). In 1934 werden twee panelen (‘De Rechtvaardige Rechters’ en ‘Sint Jan de Doper’) gestolen, waarvan er maar een is teruggevonden. Waarna het in 1942 geroofd werd door de Duitsers (voor het Führermuseum in Linz), geparkeerd in een zoutmijn, en na de oorlog weer teruggesleept naar Gent, waar het tussen 1950-1951 en vanaf 2010 aan restauratie werd onderworpen. Bij de laatste inspectie bleek dat de zeshonderd jaar oude panelen van de Van Eycks nog in uitstekende staat waren. De kopie van het paneel van ‘De Rechtvaardige Rechters’ uit 1941 was er heel wat slechter aan toe…

Advertenties

2 thoughts on “Vlaamse Primitieven

  1. Is ze zwanger? Dat was mijn eerste gedachte toen ik het Arnolfini-portret zag. Toch was dat niet zeker want volgens de mode van die tijd was een bol buikje van een vrouw juist cool.
    Boekenplanken vol zijn er geschreven over dit portret en de al dan niet verborgen symboliek van de afgebeelde personen en voorwerpen:

    Het interieur zou op symbolische wijze gestalte geven aan de heiligheid van het huwelijk.
    De ene brandende kaars in de kroon verwijst naar het afleggen van een eed en naar een huwelijkskaars.
    Het bed zou verwijzen naar de bruidskamer van de Maagd (Maria): de veger die aan de stoel naast het bed hangt drukt kuisheid uit.
    Het beeldje op het bed stelt de H. Margaretha voor, patrones van zwangere vrouwen (dus toch?).
    Het hondje is een symbool van trouw, de houten muilen (trippen) links op de voorgrond duiden op een heilige plek waar men zich moet ontschoeien.
    Jan van Eyck zelf herkennen we in de spiegel aan de muur achter het paar als getuige, de andere man in de spiegel is een tweede getuige. (De bolle spiegel met daarin een reflectie van de werkelijkheid zou van Eyck’s handelsmerk worden)
    De kristallen kralen van het gebedssnoer naast de spiegel maken die spiegel bovendien tot een religieus object en een symbool van de zuiverheid van het huwelijk.

    Wat is waar en wat is niet waar? De waarheid zullen we nooit weten maar de discussie duurt voort.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s