Het leven van een leugenbaron

Vandaag is de 217de sterfdag van de Baron von Münchhausen, rasverteller, 18de-eeuws slachtoffer van RSI, naamgever van twee psychiatrische syndromen en bovenal Europeaan. Zijn ‘wonderbare reizen’ speelden zich af in vele landen; zijn avonturen werden in vele talen en varianten opgetekend.

***

drs-p-dodenrit-polydorDoor het eindeloze Russische woud rijdt een troika met een jong gezin: vader, moeder en vier kinderen. De vaart zit erin, de stemming ook, de paarden zijn net ververst en naar het reisdoel Omsk is het nog maar honderd werst. Dan begint vader zich zorgen te maken: de slee wordt langzaam ingehaald door een troep hongerige wolven, en al gauw zit er niets anders op dan een van de kinderen op te offeren aan de achtervolgers. Maar nadat de kleine Pjotr overboord is gegooid, moeten ook de anderen eraan geloven: eerst Sonja met haar zuivere alt, dan Igor die zo mooi viool speelt, vervolgens de bolleboos Natasja, en uiteindelijk moeder lief. Omsk komt nu in zicht, en na een sprongetje van blijdschap valt vader uit de slee: ‘Terwijl de wolven mij verslinden, denk ik: Dat is pech! / Ja, Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg.’

Het bovenstaande sterke verhaal, een prozaïsche samenvatting van de veertig jaar oude meezinger ‘Dodenrit’ van Drs P, is een puntgaaf voorbeeld van wat sinds de negentiende eeuw wordt aangeduid als een ‘münchhausiade’. Een literair genre dat zijn première beleefde in de anekdotenverzameling Vademecum für lüstige Leute (1781), en dat enkele jaren later Europese bekendheid kreeg dankzij de schrijver-schelm Rudolph Erich Raspe. In het anoniem verschenen Baron Munchausen’s Narrative of his Marvellous Travels verzamelde de van oorsprong Duitse Raspe een aantal tall tales uit de dikke duim van de Freiherr von Münchhausen, een in Duitsland vermaarde avonturier die op dat moment nog in leven was.

Münchhausen onder water, door Gottfried Franz

Münchhausen onder water, door Gottfried Franz

Het was de eerste kennismaking met een aantal leugenverhalen die al snel een klassieke status verwierven. Hoe de Baron in een versbesneeuwde vlakte zijn paard vastmaakt aan een paal, en het de volgende morgen terugziet aan de spits van een kerktoren omdat de meters sneeuw ’s nachts zijn weggesmolten. Hoe hij uit gebrek aan kogels tijdens een jachtpartij een hert beschiet met kersenpitten, om het een jaar later weer tegen te komen met een kersenboompje tussen het gewei. Hoe zijn paard tijdens een veldslag gehalveerd wordt, maar gewoon doorloopt en -drinkt. Hoe hij in een slee op weg naar Petersburg achtervolgd wordt door een wolf die zijn paard opvreet maar daardoor als vervangend rijdier komt vast te zitten in het gareel.

En dat zijn nog niet eens de beroemdste ‘avonturen van de Baron von Münchhausen’. Die werden namelijk in een later stadium – en weer anoniem – toegevoegd door de Duitse schrijver Gottfried August Bürger, die Raspe terugvertaalde in het Duits. Zelfs mensen die nooit een boek over de fabulerende edelman hebben gelezen, of een (teken)film over zijn leven hebben gezien, weten dat hij ooit een rit op een kanonskogel maakte; dat hij zich niet van de wijs liet brengen door het spookachtige geluid van een jachthoorn die op een ijskoude dag bij de haard werd gezet (het waren de bevroren tonen die ontdooiden); en dat hij zichzelf op zijn paard aan zijn eigen haren uit het moeras trok. Die laatste anekdote is zelfs spreekwoordelijk geworden en in diverse woordenboeken opgenomen – net als de naam van de Baron zelf. Onder ‘münchhausensyndroom’ verstaat Van Dale een ingebeelde ziekte ‘waarbij de patiënt dankzij grondige kennis in staat is artsen om de tuin te leiden’. Bij het ‘münchhausen-by-proxysyndroom’ gaat het om een vrouw die ‘een psychische of fysieke aandoening verzint, simuleert of veroorzaakt bij een kind dat onder haar hoede staat, om zo ook zelf aandacht te krijgen bij zorgverleners’.

*

De echte Freiherr von Münchhausen

De echte Freiherr von Münchhausen

Karl Friedrich Hieronymus Freiherr von Münchhausen zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist aan welke aandoeningen zijn naam is vastgeklonken. Hij was al boos en verdrietig dat hij op het eind van zijn leven bekend stond als de Leugenbaron. Natuurlijk, hij had het ernaar gemaakt. Sinds hij was afgezwaaid als officier in het leger van de vorst van Braunschweig – en was teruggekeerd naar zijn geboortehuis in het Nedersaksische stadje Bodenwerder – had hij niets liever gedaan dan sterke verhalen vertellen aan zijn vrienden. Stof had hij genoeg, aangezien hij als achttienjarige door Prins Anton Ulrich naar Rusland was geroepen, waar hij onder meer de oorlogen tegen de Turken (1739) en tegen de Zweden (1741) meemaakte. Maar het griefde hem dat enkele van zijn toehoorders misbruik hadden gemaakt van zijn vertrouwen door die verhalen te publiceren, en er flink wat zelfverzonnen anekdotes aan toe te voegen. Van een beetje visserslatijn was hij nooit vies geweest, en ook tegen jagersgrieks had hij geen bezwaar. Maar het reizigerssanskriet en zeemanshettitisch dat de anonieme verhalenverzamelaars hem toedichtten ging Münchhausen te ver. In Engeland kwam hij zelfs bekend te staan als de ‘verrezen Gulliver’, alsof hij een personage en geen bestaand persoon was.

Je kon van Rudolph Erich Raspe, de auteur van de eerste vijf edities van Munchausen’s Narrative, ook niet veel anders verwachten. De man was zelf een soort Münchhausen, al beperkte hij zich bepaald niet tot het vertellen van verhalen. Opgeleid als geoloog aan de universiteiten van Göttingen en Leipzig, had hij op 24-jarige leeftijd al zo’n faam dat hij lid werd gemaakt van de Britse Royal Society. Die eer bezorgde hem een luizebaantje als bibliothecaris van de landgraaf van Hessen-Kassel, die hem vroeg om zijn verzameling edelstenen te catalogiseren. De stenen bleken waardevol en dus nam Raspe ze mee toen hij in 1775 onverwachts naar Engeland ‘emigreerde’. In Londen leidde hij een wild leven in de hoogste kringen, en het was dan ook acute geldnood die hem er toe aanzette om de leugenverhalen van Münchhausen (die hij waarschijnlijk uit de eerste hand kende) te boek te stellen. Omdat hij daar ook niet echt rijk van werd, en de ontdekkingsreiziger James Cook weigerde om hem mee te nemen naar Tahiti, pakte hij zijn oude stiel weer op. Hij werkte als bodemonderzoeker in Cornwall, Schotland en Wales, en nam in 1793, een jaar voor zijn dood, de wijk naar Ierland omdat hij ervan werd verdacht dat hij investeerders met behulp van vervalste bodemmonsters had voorgespiegeld dat hij goud voor ze kon vinden.

 

Münchhausen door Gustave Doré

Münchhausen door Gustave Doré

Raspe, wiens zwarte humor zeer bewonderd werd door collega-geoloog/schrijver Willem Frederik Hermans, putte voor zijn Münchhausen-verhalen vrijelijk uit diverse bronnen. Het genre van de ‘wonderreis’ was vóór hem al beoefend door schrijvers als Jonathan Swift en Lucianus van Samosata, wiens Waarachtige verhalen (ca. 180 n. Chr.) de inspiratie waren voor Münchhausens reis naar de maan en zijn verblijf op het kaaseiland in de melkzee. Daarnaast zag een vrijbuiter als Raspe er natuurlijk geen been in om wat mee te pikken uit de Bijbel (het verblijf van de Baron in de buik van een walvis) en oude volksverhalen (zoals bijvoorbeeld het sprookje van de vijf dienaren dat Efteling-gangers kennen van Lange Jan met de uitschuifnek). Tegen plagiaat werd in de achttiende eeuw heel anders aangekeken, en copyright bestond nog niet. Vandaar ook dat de dichter-ambtenaar August Bürger het anoniem verschenen boekje van Raspe in 1786 zonder scrupules in het Duits kon vertalen en van nieuwe anekdotes kon voorzien.

Omdat Bürger enkele van de beroemdste Münchhausenverhalen toevoegde, wordt hij door sommige critici als de betere vakbroeder van Raspe gezien. Tegenover de lofzang op Raspe door Hermans, die zijn leugenverdichting ‘goddelijk’ noemt, en Godfried Bomans, die in het voorwoord van zijn vertaling van de Marvellous Travels (1967) twijfelt aan de kwaliteiten van Bürger, staat het enthousiasme van Jeroen Brouwer. Hij vertaalde in 1977 de Wunderbare Reisen  en prees Bürger omdat hij de Baron menselijk had gemaakt: ‘Was hij bij Raspe een snoever en niet veel méér, bij Bürger wordt hij ook een blaaskaak, een betweter, een schuinsmarcheerder, een blasfemist, én iemand die wel weet wat menselijke zwakheid is.’  Het is een subtiel onderscheid dat Brouwers aanstipt; de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de lezer goed moet opletten om de verschillen tussen de twee versies van Münchhausens avonturen te zien.

*

 Anders dan de meeste literaire helden met wortels in de historie – koning Arthur, Macbeth, Uilenspiegel, Dracula – leefde de Baron von Münchhausen relatief kort geleden. Het is bepaald geen tour om in zijn voetsporen te treden. Je kunt naar Kaliningrad, het voormalige Koningsbergen, waar de Freiherr op weg naar Rusland in 1738 heeft gelogeerd zonder te betalen, maar waar tóch een standbeeld voor hem is opgericht. Je kunt naar de Jacobskazerne in de Letse hoofdstad Riga, waar hij in de jaren veertig van de achttiende eeuw was ingekwartierd. En je kunt naar het landgoed Dunte in het voormalige Lijfland, waar hij de vrouw ontmoette met wie hij 46 jaar getrouwd is geweest, en waar een ‘Minzhauzena Musejs’ is geopend. Allemaal plaatsen die verbonden zijn door een ‘Leugenroute’ die sinds een paar jaar toeristisch geëxploiteerd wordt.

Het Münchhausenmonument in Bodenwerder (Franzfoto, WC)

Het Münchhausenmonument in Bodenwerder (Franzfoto, WC)

Het Balticum is een mooi gebied, maar net iets te ver weg. Ik ga naar Bodenwerder, het plaatsje aan de Weser waar Hieronymus von Münchhausen op 11 mei 1720 werd geboren en waar hij op de 22ste  februari van het jaar 1797 overleed. Het Münchhausenstadje ligt halverwege de ‘Duitse Sprookjesroute’, die van Bremen naar Hanau loopt. Vlakbij is Hameln, een Hollands aandoend stadje dat zijn bekendheid dankt aan de mysterieuze fluitspeler die daar eind dertiende eeuw eerst de ratten en vervolgens de kinderen wegving. Maar terwijl Hameln weinig meer kan laten zien van zijn legendarische verleden dan een klokkenspel in de kerktoren, grossiert Bodenwerder in Münchhausenmonumenten. Het tuinhuis (oftewel Grottenhäuschen) dat Hieronymus na zijn terugkeer uit Riga liet bouwen tegen de heuvelrug op zijn landgoed is jammer genoeg gesloten, maar er is een speciaal Münchhausenmuseum, net buiten de voormalige stadsmuur. Om er te komen loop ik de hoofdstraat van het slaperige stadje af, langs gerestaureerde vakwerkhuizen uit de Weserer Renaissance die zich kenmerken door fraai geschilderde teksten op de houten balken. Aan een parkje met een bijzondere fontein – een half paard drinkt uit een trog, zijn berijder kijkt verbaasd achterom hoe het water er weer even hard uitkomt – staan drie oude gebouwen. Het middelste is een groot wit vakwerkhuis uit 1603, met een classicistische deur waarbij geschreven staat dat dit het geboortehuis van de Freiherr is.

Het Münchhausenmuseum is in het Kornhaus naast het geboortehuis. Waarom niet in zijn geboortehuis? Omdat het witte vakwerkhuis in gebruik is als gemeentehuis. Je kunt er gewoon naar binnenlopen, het is openbaar bezit, en vooral de eerste verdieping is indrukwekkend. Brede houten deuren, de meeste overigens in negentiende-eeuwse stijl, komen uit op het vierkante trapportaal; er staat een dekenkist uit 1670 die nog van de Baron geweest kan zijn, en aan de muren hangen houtreliëfs met beroemde scènes uit de Wunderbare Reisen. Ik zie het hert met de kersenboom tussen zijn gewei – een tractatie voor de jager, die nu in één klap biefstuk én compote voor het avondeten had. En ik zie een reliëf met onthoofde Turken dat herinnert aan de slag bij Oczakov in de Oekraïne. De Baron had daar naar eigen zeggen zó op de vijand ingehakt dat hij zijn onwillekeurig doorslaande arm een tijdje in een mitella moest dragen om hem tot bedaren te brengen. Behalve de naamgever van diverse syndromen is Münchhausen dus ook een van de eerste geregistreerde slachtoffers van RSI.

*

Plattegrond van Bodenwerder

Plattegrond van Bodenwerder

In het museum hoor ik dat er een zekere ironie besloten ligt in het feit dat het Gutshaus van de Baron nu raadhuis is. Een groot deel van zijn leven heeft Münchhausen namelijk overhoop gelegen met de burgemeester en schepenen omdat die hem niet toestonden een brug naar de andere kant van zijn landgoed over de Weser te bouwen. Bodenwerder was toen nog een eiland (Werder) in de rivier en de autoriteiten wilden die goed verdedigbare positie niet verzwakken. De Baron moest dus altijd omlopen als hij van zijn woonhuis naar zijn tuinhuis wilde, om daar onder het genot van een pijpje tabak en een glas punch zijn vrienden te vergasten op zijn avonturen. Dan was hij in zijn element. ‘Zijn armen werden steeds onrustiger,’ noteerde een familielid; zijn kleine pruikje begon door zijn handen op zijn hoofd te dansen, het gezicht werd steeds beweeglijker en roder.’

Het achttiende-eeuwse citaat wordt gedeclameerd door de gids van het Münchhausenmuseum, Werner Koch, een enthousiaste zestiger die duidelijk om zijn gelijkenis met de grote verteller is aangenomen. Hij voert de spaarzame bezoekers langs de memorabilia die op de eerste verdieping van de graanschuur zijn opgesteld. Hij wijst op oude documenten, zoals de oorkonde waarin Münchhausen door de Russische tsarina Elizabeth bevorderd wordt tot ritmeester. Hij demonstreert het onwaarschijnlijk ingenieuze slot van een geldkist uit het bezit van de Baron. Hij leidt ons naar het staatsieportret van Münchhausen in het kuras van zijn regiment – een week hoofd onder een driekantige steek en een onmiskenbaar embonpoint – en naar zijn praatstoel: een zetel die op vijf manieren verstelbaar is. En hij vertelt verhalen. Niet alleen over de wonderbaarlijke avonturen (bijvoorbeeld staande naast een reusachtige achttiende-eeuwse kanonskogel), maar ook over het leven van Münchhausen. Weten wij hoe hij aan zijn bijnaam ‘de Leugenbaron’ kwam? Niet dankzij zijn sterke verhalen, maar door een lastercampagne van zijn tweede vrouw, een piepjonge losbol van wie hij al na zes maanden huwelijk wilde scheiden. Voordat deze Bernhardine met lege handen vluchtte naar Didam – het zoveelste bewijs voor de Baron dat Holland een poel des verderfs was – had ze de rechter van de kwade trouw van Münchhausen proberen te overtuigen door te wijzen op de anonieme verhalenverzamelingen waarin hij als een pathologische leugenaar werd opgevoerd. Werner Koch kan er nog steeds boos om worden. Als om de betrouwbaarheid van de Baron te onderstrepen, citeert hij Münchhausens credo uit het begin van de vertaling van Bürger:

Münchhausen op de kanonskogel‘Ik zal u, mijne heren, niet vervelen met leuterpraat. Ik houd me liever bij hoger gestemde en edele onderwerpen die uw aandacht waard zijn, te weten bij paarden en honden, voorts bij vossen, wolven en beren, ten slotte bij het soort humoristische wederwaardigheden waarmee de edelman beter voor de dag komt dan met een muf handjevol Grieks en Latijn of met allerhande reukdingetjes, prullerijen en malligheden van Franse denkbollebozen en -krullekoppen.’

Behalve historische relieken en boekuitgaven van de Avonturen – 650 verschillende in dertig talen – exposeert het museum ook objecten met een knipoog. Zo ligt in een vitrine de jachthoorn waaruit ooit de smeltende noten zouden hebben geklonken. De gids vertelt dat het instrument ook door de Baron werd gebruikt om zijn bedienden te instrueren wanneer hij in het tuinpaviljoen – te zien vanuit het raam van het Kornhaus – door de drankvoorraad heen was. Ook mooi zijn de opgezette hertekop met minikerseboom en de haas die dankzij vier pootjes op zijn rug voortdurend aan de hond van de Baron wist te ontsnappen (als hij moe was draaide hij zich om en liep op zijn fitte poten verder). Het hert en de haas doen me denken aan de opgezette fabeldieren van Thomas Grünfeld, een Duitse kunstenaar-taxidermist die je zou kunnen betitelen als een Münchhausen van onze tijd.

*

Bodenwerder is niet alleen de plaats waar Münchhausen geboren is; Hieronymus is er ook gestorven, en begraven. Vijf dagen na zijn dood, op 27 februari 1797, werd hij bijgezet in de kloosterkerkgewelven van het nabijgelegen Kemnade, in het graf dat zijn vader daar gekocht had. De gemeente was er eigenlijk op tegen, omdat het klimaat in de kerk een normale ontbinding van de ter aarde bestelde lijken in de weg stond. Maar het gebeurde toch, met alle gevolgen vandien: soms stonk het zó erg tijdens de mis dat de pastoor kruidnagelen uitdeelde aan zijn parochianen. Vanaf 1860 werden de graven geruimd en de gewelven met grind opgevuld; het graf van Münchhausen was rond de eeuwwisseling aan de beurt. Het toeval wilde dat daar een jongen bij was die later een bekend schrijver zou worden: Carl Haensel, die zich in 1953 zou herinneren ‘wie ich Münchhausen leibhaftig sah’:

De kloosterkerk waar Münchhausen begraven is (foto Chris06, WC)

De kloosterkerk waar Münchhausen begraven is (foto Chris06, WC)

‘Toen de doodkist open ging, viel de mannen het gereedschap uit de handen; in de kist lag geen geraamte, maar een slapend mens met haar, huid en een gezicht: Hieronymus Münchhausen. Ze hadden hem bijgezet in een blauw gewaad, eenvoudig aangekleed als een landman. Een breed, rond, gaaf gezicht met een scherpe neus en een bijna lachende mond. Geen litteken – geen snor […] Een plotselinge tochtstreek ging door de kerk. De dode verviel in een ogenblik tot stof […] Het gezicht werd schedel, het lichaam skelet.’

Het klinkt te mooi om waar te zijn – als een van de verhalen die de Baron zelf had kunnen vertellen. Sterker nog: het is is bijna letterlijk het slot van ‘The Facts in the Case of M. Valdemar’ een verhaal uit 1845 van Edgar Allan Poe. Wat heel toepasselijk is omdat Poe mag gelden als de Amerikaanse tegenhanger van de Bodenwerderse superfantast. Net als Münchhausen had Poe een voorliefde voor het vertellen van sterke, soms perverse verhalen waarin onwaarschijnlijke reizen werden gemaakt (naar de Zuidpool, naar de bodem van de zee, naar de maan) en waarin oplossingen werden gevonden voor uitzichtloze situaties. En dat Poe niet de enige erfgenaam van de pseudologisch begaafde Baron was, mag blijken uit het werk van H.G Wells, Alphonse Daudet (Tartarin de Tarascon), H.P. Lovecraft, Jan van Aken en, veel recenter, Umberto Eco (Baudolino).

Overigens waren de lijkruimers van Kemnade zó geschrokken dat ze het graf weer dichtgooiden en Münchhausen hebben gelaten waar hij lag. Zodat we in de St. Mariakerk, een compact romaans gebouwtje op vijf minuten rijden van het geboortehuis, nog steeds over hem heen kunnen lopen. De kerk is van binnen sfeerloos en de vrijwilliger die in een zijbeuk foldertjes en waxinelichtjes verkoopt, weet niets van de beroemdste bewoner van de gewelven. Maar vóór het altaar ligt een ruitvormige tegel in de vloer waarop staat ‘1720 / v. Münchhausen / Freiherr / Hieronymus Carl / Friedrich / 1797’.

Filmposter van Terry Gilliams The Adventures of Baron Munchhausen

Filmposter van Terry Gilliams The Adventures of Baron Munchhausen

Het is een stemmige plaats om na te denken over de stortvloed van boeken, strips, portretten, films en musicals die de zogenaamde Leugenbaron heeft nagelaten – van de beeldbepalende illustraties van Gustave Doré tot de absurdistische Terry Gilliam-film The Adventures of Baron Münchhausen (1988), waarin de titelheld het behalve tegen de wereld ook moet opnemen tegen de mythe die er inmiddels om hem heen is ontstaan. Münchhausen is niet alleen een begrip geworden in Duitsland en Groot-Brittannië, maar ook in praktisch ieder ander westers land – al was dat soms onder een andere naam. In Hongarije werd hij als de volksheld Háry Janos de hoofdpersoon van een nationale opera van Zoltán Kodály; in Frankrijk veranderde hij in de Gasconse opschepper ‘Monsieur de Crac’; en in Nederland kunnen we hem herkennen in de vroegere jeugdhelden Meester Prikkebeen (J.J.A Gouverneur) en Jonkheer Stribbel (Gerard Revers, pseudoniem van de vader van Gerard Reve).

Münchhausen is een type, en dat type komen we even vaak tegen in het echte leven als in de cultuur. Neem Jan Cremer, de rouwdouw die het ene sterke verhaal na het andere vertelt en in wiens leven fictie en werkelijkheid niet meer te scheiden zijn. Wat is hij anders dan een twintigste-eeuwse leugenbaron? Of wijlen Boudewijn Büch, die zijn hele verleden bij elkaar verzon, van zijn gestorven zoontje en zijn ongelukkige jeugd tot zijn academische titels en de puntjes op de u van zijn achternaam. Zijn levensverhaal zou de Baron von Münchhausen wellicht een glimlach hebben ontlokt, en zeker de auteur van de Münchhausen-mythe, Rudolph Erich Raspe. Daar komt een man per slot van rekening beter mee voor de dag dan met ‘een muf handjevol Grieks en Latijn of met allerhande reukdingetjes, prullerijen en malligheden van Franse denkbollebozen en -krullekoppen.’

Dit artikel verscheen eerder als slothoofdstuk van Macbeth heeft echt geleefd – Een reis door Europa in de voetsporen van 16 literaire helden (Nieuw Amsterdam, 2011)

Advertenties

One thought on “Het leven van een leugenbaron

  1. Pingback: Münchhausen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s