Brecht en Weill

De Driestuiversopera, Mahagonny, De zeven doodzonden, de ‘Ballade van de soldatenvrouw’ – alles waarbij Bertolt Brecht en Kurt Weill de handen ineensloegen veranderde in goud. En passant hervormde de niets en niemand ontziende Brecht het toneel meer dan enig ander sinds Ibsen.

***

brecht_narrowweb__300x4250Er viel best wat af te dingen op de reputatie van Bertolt Brecht (1898-1956). Als scheppend kunstenaar had hij veel te danken aan de toneelmakers, schrijvers en vooral de musici met wie hij samenwerkte; als mens nam hij het niet zo nauw met de echtelijke trouw en laadde hij de verdenking op zich met alle politieke winden mee te waaien. Toch verdiende hij niet de karaktermoord die in 1994 op hem gepleegd werd met de biografie The Life and Lies of Bertolt Brecht. Hierin schilderde de Amerikaanse sloddervos John Fuegi de pionier van het moderne theater af als een leugenaar, een oplichter en een artistieke vampier. Volgens Fuegi waren bijna al Brechts beroemde toneelstukken grotendeels geschreven door de vrouwen die hij om zich heen verzamelde, en als hij al niet de credits van teksten en liedjes aan zichzelf toeschreef, eigende hij zich wel het leeuwendeel van de royalties toe.

Stamps_of_Germany_(DDR)_1973,_MiNr_1852Misdaad loonde, volgens Fuegi. Immers, de namen van Elisabeth Hauptmann (co-auteur van de meeste van Brechts vroege Lehrstücke), van Margarete Steffin (geestelijk moeder van onder meer Mutter Courage und ihre Kinder) en van Ruth Berlau (co-auteur van Der gute Mensch von Sezuan en Der Kaukasische Kreidekreis) waren in vergetelheid geraakt, terwijl Brecht bekend was komen te staan als vernieuwer van het toneel – lees: het ‘epische theater’ dat het publiek politiek bewust wil maken – en als theoreticus van de Verfremdung, die erop is gericht om de toeschouwer door middel van zogeheten vervreemdingseffecten voortdurend duidelijk te maken dat hij naar een toneelstuk zit te kijken.

Dreigroschenoper (Brecht)Latere studies maakten korte metten met het Brechtbeeld van Fuegi. De conclusie was dat de biograaf zich had schuldig gemaakt aan de biographical fallacy: hij stelde zijn subject gelijk met de hoofdpersoon uit het muziektheaterstuk Die Driegroschenoper: de aartsmisdadiger Macheath, bijgenaamd Mackie Messer, die wegkomt met diefstal en pathologische ontrouw. De tekst van die musical was door Brecht geschreven op basis van Hauptmanns vertaling van een Engels toneelstuk uit 1728, The Beggar’s Opera van John Gay. De muziek was van de hand van de van oorsprong klassieke componist Kurt Weill (1900-1950), die eerder met Brecht had samengewerkt bij het ‘Mahagonny-Songspiel’, dat zou uitgroeien tot de satirische opera Aufstieg und Fall der  Stadt Mahagonny (1930). Wat Brecht ook nog bijdroeg was de tekst van het lied ‘Die Morität von Mackie Messer’ – met oneliners als ‘Und man siehet die im Lichte / Die im Dunkeln sieht man nicht’ – en de basismelodie van ‘Seeräuberjenny’, de wraakfantasie van een vernederde serveerster.

Dreigroschenoper (Kurt Weill)Die Dreigroschenoper, ‘De driestuiversopera’, ging in 1928 in première in het gloednieuwe Theater am Schiffbauerdamm in Berlijn en werd ondanks een paar zure recensies een groot succes. Toeschouwers hadden waardering voor de onverholen kritiek op het kapitalisme en voor de tegenwoordig weer hoogst actuele aanval op corrupte bankiers (‘Was ist der Einbruch in eine Bank gegen den Besitz einer Bank?’). Maar het was vooral de muziek die het stuk populair maakte. Kurt Weill, die had gestudeerd bij de klassieke operacomponist Ferruccio Busoni, verwerkte niet alleen jazzinvloeden en ketelmuziek in de 21 muzikale intermezzi, hij componeerde ook melodieën met eeuwigheidswaarde. Wie bij het horen van de ‘Barbarasong’ (‘Und wenn er Geld hat / und wenn er nett ist’) geen rillingen over zijn rug krijgt, heeft een hart van steen. En dan bevatte Die Dreigroschenoper nog aansprekende frivoliteiten als de ‘Kanonensong’ (‘Da machen sie vielleicht daraus ihr Beefsteak Tartar’) en de ‘Ballade über die Frage: Wovon lebt der Mensch?’ (‘Erst kommt das Fressen / dann kommt die Moral’).

GDR-stamp,_Bertolt_Brecht,_25_Pf.,_1957_Mi._565Brecht werd er binnen korte tijd miljonair mee, iets wat hem niet gelukt was met eerdere toneelstukken als Baal (1918, een expressionistisch drama over een losgeslagen dichter-moordenaar) en Im Dickicht der Städte (1924, over de ondergang van een familie in Chicago). Maar met de modernistische opera  Mahagonny (1930) wisten hij en Weill het succes zelfs te overtreffen, iets wat ongetwijfeld voor een deel terug te voeren viel op de geweldige soundtrack, met een vlaggeschip als de ‘Alabama Song’, dat later onder meer gecoverd werd door The Doors en David Bowie. Mahagonny zou volle zalen trekken tot het in 1933 door de nazi’s verboden werd – het moment dat zowel de marxistische Brecht als de joodse Weill besloot om Duitsland te ontvluchten.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAAls kopstukken van de Exil troffen Brecht en Weill – en zangeres Lotte Lenya, Seeräuberjenny in Die Dreigroschenoper – elkaar in Parijs voor het door Georges Balanchine gechoreografeerde ‘gezongen ballet’ Die sieben Todsünden (1933), voordat hun beider wegen scheidden. In Amerika, waar Weill in 1935 heen vluchtte en Brecht in 1941, werkten ze nog één keer samen, aan misschien wel het allermooiste anti-oorlogslied dat ooit is gemaakt: ‘Was bekam des Soldaten Weib’. In zeven strofen wordt de opkomst en ondergang van de Duitse oorlogsmachine in de Tweede Wereldoorlog geschetst: de soldatenvrouw krijgt schoenen uit Praag, linnen uit Warschau, bont uit Oslo, een hoed uit Rotterdam, kant uit Brussel, een zijden jurk uit Parijs, een ketting uit Tripoli – om te eindigen met een weduwensluier uit Rusland.

P.J. Harvey, 2004 (foto Dave Mitchell, WC)

P.J. Harvey, 2004 (foto Dave Mitchell, WC)

Simpel en ontroerend georkestreerd door Weill – en later nog een keer diametraal anders door een andere muzikale kompaan van Brecht, Hanns Eisler – spreekt ‘The Ballad Of The Soldier’s Wife’ (zoals het lied in de Engelse vertaling heet) al meer dan zeventig jaar tot de verbeelding. Onder meer Gisela May, Hildegard Knef, Marianne Faithfull en P.J.Harvey zetten het op de plaat. En dan te bedenken dat het maar een van de vele prachtige gedichten is die door Brecht werden gepubliceerd tussen het toneelwerk door.

Dit artikel is een bewerking van een stuk dat op 24 november 2012 in NRC Handelsblad verscheen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s