Fotografie

In het weekend van de Paris Photo Fair kijkt Made in Europe terug op de ontwikkeling van de kunstvorm.

***

De eerste foto (van Niépce): uitzicht op Le Gras, 1826/27

De eerste foto (van Niépce): uitzicht op Le Gras (1826)

De etymologie is Grieks (‘lichtschrijverij’); de associaties zijn Amerikaans (Polaroid, Eastman, Kodak); maar de fotografie is vóór alles een Frans product. Vele van de beslissende momenten uit de geschiedenis van de gevoelige plaat manifesteerden zich in Frankrijk. Om te beginnen de snel vervagende afbeelding van de werkelijkheid die de Bourgondische uitvinder Nicéphore Niépce in 1816 maakte door in een verduisterde ruimte, een zogeheten camera obscura, een plaat met lichtgevoelig materiaal aan de buitenwereld bloot te stellen. Een experiment dat tien jaar later door hem werd geperfectioneerd, toen hij het uitzicht uit zijn dakraam wist te vangen op een tinnen plaat die was bestreken met bitumen. De belichtingstijd was acht uur, maar anders dan bij vorige ‘heliografieën’ (zoals Niépce ze noemde) kon de beeltenis wel worden gefixeerd.

Daguerrotypie van Louis Daguerre, 1844

Daguerrotypie van Louis Daguerre, 1844

Niépce stierf in 1833, vier jaar nadat hij was gaan samenwerken met de Noord-Franse theaterarchitect Louis Daguerre (1787-1851). Zijn experimenten met lavendelolie als lichtgevoelige mengstof in het bitumen werden door Daguerre verruild voor een onderzoek naar de lichtgevoelige eigenschappen van zilverjodide. In 1837 ving Daguerre bij toeval een beeld door het belichten van een verzilverde koperplaat waarover hij kwikdamp liet gaan – een vroege vorm van ontwikkelen. De ‘daguerrotypie’ was geboren, een prehistorische foto (zonder negatief) die een lange belichtingstijd vergde, maar niettemin enkele klassieke afbeeldingen opleverde: een registratie van de Parijse Boulevard du Temple (1838) met daarop de eerste gefotografeerde menselijke figuren, een schoenpoetser en zijn klant die kennelijk lang genoeg stil stonden om de tien minuten sluitertijd te overleven; een spookachtige buste van de zwartromantische schrijver Edgar Allan Poe; een vroeg staatsieportret van de Amerikaanse president-in-wording Abraham Lincoln.

Boulevard_in_Paris,_1839De laatste twee daguerrotypieën waren van Amerikaanse makelij, mogelijk gemaakt doordat de Franse staat de uitvinding van Daguerre had gekocht en in 1839 gratis ter beschikking had gesteld aan de hele wereld. Pech voor de Britse chemicus William Fox Talbot, die onafhankelijk van Niépce in de jaren dertig was gaan experimenteren met fotografie, en die zijn uitvinding van gevoelig zilverchloridepapier, van fixeren met behulp van een zoutoplossing, en van een proces om meerdere afdrukken van een negatief te printen, niet meer te gelde kon maken. De ontwikkeling van de fotografie ging daarna snel: in 1850 kwam het glasnegatief, in 1861 werd met behulp van drie filters de eerste kleurenfoto gemaakt, vanaf 1871 was het niet meer nodig om de glasplaten in natte staat (dat wil zeggen met collodium) te belichten, in 1888 werd door Kodak de rolfilm uitgevonden (die gebruikt kon worden in een camera voor dummy’s), in 1948 kwam de eerste directklaarcamera op de markt, en vanaf 1981 werd de gevoelige plaat gestaag overbodig door de ontwikkeling van de digitale fotografie.

71+q+O0Fp4L._SL1083_Onder de vroegste negentiende-eeuwse foto’s zijn opvallend veel stillevens, landschappen en naakten. Fotografen spiegelden zich aan de belangrijkste beeldende kunst van hun tijd, de schilderkunst; een interessante tendens, aangezien vooral impressionistische schilders bij hun werk juist veel gebruik maakten van foto’s – denk aan de Nederlandse stadstaferelen van George Hendrik Breitner. Een van de grootste fotografen van de twintigste eeuw, Henri Cartier-Bresson (1908-2004), begon zijn carrière dan ook als schilder, en het was pas na zijn kennismaking met de losse benadering van de fotografie door de surrealisten en de Hongaarse fotojournalist Martin Munkacsi dat hij ervan overtuigd raakte dat een foto ‘de eeuwigheid in een enkel moment kon vastleggen.’ Gewapend met een Duitse Leica 50 mm-camera (‘het verlengstuk van mijn oog’), en onder invloed van zijn Oost-Europese vrienden David Szymin (later Seymour) en Endré Friedmann (Robert Capa), ging hij de straat op om de wereld in volle beweging te vangen. In 1937 fotografeerde hij de Spaanse Burgeroorlog en de kroning van de Engelse koning George VI, in 1945 maakte hij – heelhuids ontsnapt aan Duitse werkkampen en werk in het verzet – een documentaire over de terugkeer van krijgsgevangenen en ontheemden in Frankrijk.

Cartier-Bresson was net als Capa, Seymour, William Vandivert en George Rodger een van de oprichters van Magnum Photos (1947), een coöperatie die naar eigen zeggen de vinger aan de pols van de tijd wilde houden en die zou uitgroeien tot het beroemdste fotopersbureau ter wereld. Voor Magnum fotografeerde hij onder meer de begrafenis van Gandhi (1948), de Chinese Burgeroorlog en de Indonesische dekolonisatie (1949). Steevast in zwart-wit, uit principe zonder flits, nooit manipulerend in de donkere kamer, en altijd op zoek naar wat hij ‘le moment décisif’ noemde, het ogenblik waarin de essentie van een bepaalde gebeurtenis besloten ligt. The Decisive Moment was de Engelse titel van een bloemlezing van zijn werk uit 1952 (voorzien van een omslag van Henri Matisse). In het voorwoord betoogde Cartier-Bresson dat er niets in deze wereld is dat geen beslissend moment heeft.

decisive1‘Fotografie lijkt niet op schilderen,’ zei Cartier-Bresson in 1957. Niettemin trok hij zich negen jaar later terug uit Magnum – lees: de fotojournalistiek – om zich te wijden aan portretten en landschappen. Full circle in het licht van de geschiedenis van de fotografie. Net als het verwijt dat de fotografie, en met name de fotojournalistiek à la Magnum en World Press, een decennium geleden ten deel viel van de kant van kunstcriticus Hans den Hartog Jager. Fotografen waren volgens hem semi-artistieke imitators van de klassieke beeldende kunst geworden, would-be-kunstenaars die hun foto’s modelleerden naar Caravaggio en andere klassieken. De trotse fixeerders van de werkelijkheid waren binnen anderhalve eeuw afgezakt tot wat Den Hartog Jager aanduidde als ‘luie schilders’.

Dit is de onverkorte versie van een stuk dat op 17 maart 2012 verscheen in NRC Handelsblad.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s