Cannes (de Franse film)

Het filmfestival van Cannes is een etalage voor ‘auteursfilms’, maar ook een hoogmis voor de Franse cinema, waarmee de filmgeschiedenis goedbeschouwd begonnen is.

***Lumières

Te midden van het Amerikaanse geweld dat de Europese bioscopen overspoelt – en bij het monopolie van Hollywood in de populaire cultuur – ben je snel geneigd te vergeten dat de film is begonnen in Europa. De oudst overgeleverde speelfilm, Roundhay Garden Scene, werd 125 jaar geleden door de Fransman Louis Le Prince in Leeds geschoten, zes jaar later gevolgd door de eerste filmpjes die Louis en Auguste Lumière maakten met behulp van een cinematograaf, een apparaat dat kon opnemen, kopiëren en projecteren. Op 28 december 1895 organiseerden de gebroeders Lumière in Parijs de eerste openbare voorstelling, met tien korte films van eigen hand, waaronder La sortie de l’Usine de Lumière en L’arroseur arrosé (een soort funny home video waarvoor ook de eerste filmposter uit de geschiedenis werd onLumière-postertworpen). Nog meer succes had een maand later L’arrivée d’un train en gare de la Ciotat, een film van een stoomlocomotief die op de toeschouwer afkomt. Het verhaal dat het publiek in paniek de zaal uit vluchtte, wordt tegenwoordig beschouwd als een broodje aap; of liever door de war gehaald met het effect van de experimentele 3D-versie van dezelfde film die Louis Lumière veertig jaar later in première liet gaan.

Georges Méliès: 'Le voyage dans la lune'

Georges Méliès: ‘Le voyage dans la lune’

Het was een andere Fransman, de voormalige illusionist Georges Méliès (1861-1938), die te boek staat als de uitvinder van de trucagefilm, of beter tal van special effects. Volgens een sterk verhaal werd hij op het idee gebracht door een half-mislukte opname van een Parijs straatbeeld, waarbij de camera een minuut haperde en de eenmaal ontwikkelde film vrouwen in mannen en paard-en-wagens in lijkkoetsen liet overlopen. Maar hoe dan ook experimenteerde hij vanaf het eind van de negentiende eeuw met onder meer het laten verdwijnen en verschijnen van voorwerpen en personen, meervoudige belichting (twee beelden over elkaar), time-lapse-techniek, dissolving en het met de hand inkleuren van filmbeelden. Tussen 1896 en zijn faillissement in 1913 maakte Méliès 531 films, variërend van vijftig seconden tot veertig minuten. Aanvankelijk probeerde hij vooral de technische mogelijkheden uit (zoals in L’homme orchestre, waarin hij zichzelf vermenigvuldigt in een blazersensemble), maar allengs werkte hij met meer plot. Met de Jules Verne-bewerking Le voyage dans la lune (1902, onlangs in ingekleurde vorm gerestaureerd) en de fantasy-film Le voyage à travers l’impossible (1904), waarin de zon een ruimteschip verorbert, ontpopte hij zich tot een pionier van de science-fictionfilm.

Franse film CannesHoewel de cinema ook in andere Europese landen artistiek tot bloei kwam – denk aan de expressionistische film in Duitsland, de montage-cinema van Eisenstein in Rusland en de oprichting van het filmfestival van Venetië in 1932) – behield Frankrijk tot aan de Tweede Wereldoorlog zijn voorsprong. Regisseurs als Jean Vigo, René Clair, Jean Renoir, Marcel Carné (Les enfants du paradis, 1946) en niet te vergeten de surrealisten, zetten in het tijdperk van de geluidsfilm de toon, en het lag dan ook voor de hand dat het meest vooraanstaande filmfestival van Europa vanaf 1946 in Cannes plaats had. Eenkennig was Cannes trouwens niet; in de eerste jaren ging de meeste aandacht uit naar ‘neorealistische’ films uit Italië, toneelverfilmingen uit Scandinavië en zelfs Hollywoodfilms – zij het van regisseurs als Billy Wilder en William Wyler, die het oude Europa voor de oorlog waren ontvlucht.

Jean-Luc Godard (l), Francois Truffaut en regie-assistente Suzanne Schiffman op de set van 'Fahrenheit 451 (1966)

Jean-Luc Godard (l), Francois Truffaut en regie-assistente Suzanne Schiffman op de set van ‘Fahrenheit 451’ (1966)

De contemporaine Franse film had dan ook weinig om trots op te zijn, tenminste tot het eind van de jaren vijftig. Toen debuteerden kort na elkaar verschillende regisseurs die waren gepokt en gemazeld als filmcritici van het tijdschrift Cahiers du Cinéma. Jean-Luc Godard, François Truffaut, Claude Chabrol, Éric Rohmer, Jacques Rivette – ze keerden zich zowel tegen de clichéproducten uit de Droomfabriek Hollywood als tegen het ouderwetse vertellen van wat zij de cinéma de papa noemden. De (handheld) camera was hun schrijfstift, hun stijl was vernieuwend en bewust ontregelend: geïmproviseerde dialogen, jumpcuts, continuïteitsfouten en personages die tot de camera spraken moesten de kijker ervan doordringen dat hij/zij naar een film zat te kijken. Low budget was een aanbeveling, de persoonlijkheid van de regisseur moest in al zijn films zichtbaar zijn. De enige Hollywoodregisseurs die volgens de zogeheten auteurstheorie door de beugel konden, waren degenen die er ondanks de druk van het studiosysteem in geslaagd waren een duidelijk stempel op hun films te zetten: filmmakers als John Huston, Howard Hawks en vooral Orson Welles en Alfred Hitchcock.

De Dogme-film 'Festen' (1995) van Thomas Vinterberg

De Dogme-film ‘Festen’ (1995) van Thomas Vinterberg

‘Nouvelle Vague’ werd de nieuwe stroming genoemd, en dankzij meesterwerken als Godards À bout de souffle en Truffauts Les 400 coups gingen de Franse films de wereld rond. Meer dan zestig jaar na dato is de invloed van de destijds nieuwe Franse cinema nog steeds aanwijsbaar bij alle Europese arthouserevolutionairen en het gros van de inzendingen voor het festival van Cannes. De laatste stroming die zich liet inspireren door Nouvelle Vague – en zelfs direct verwees naar een manifest van Truffaut – was het Deense Dogme 95. Oprichters Lars von Trier en Thomas Vinterberg legden op een conferentie ter gelegenheid van honderd jaar film in het openbaar een ‘gelofte van kuisheid’ af en pleitten voor een cinema die terugging naar de basiswaarden van eenvoud en waarachtigheid. Het verhaal en de acteurs moesten voorop staan, en de regisseur moest zich houden aan een tienpuntenprogramma dat onder meer gebood om te filmen op locatie en gebruik te maken van een handheld camera, en verbood om kunstlicht of filmmuziek te gebruiken. Special effects waren natuurlijk uit den boze. Georges Méliès, de ultieme cinemagicien, moet zich in zijn graf hebben omgedraaid.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s