Tijl Uilenspiegel

Zijn naam is spreekwoordelijk in een dozijn talen; zijn avonturen inspireerden kunstenaars als Andersen, Strauss en Willy Vandersteen. Wie was de ultieme practical joker Tijl Uilenspiegel en hoe werd hij een pan-Europese held?

***

Zeggelen_-_Tijl_Uilenspiegel_-_1860_-_2._jpgTwee punten heeft de muts van Tijl Uilenspiegel; de een buigt naar links, de andere naar rechts, aan beide hangt een belletje. In de Middeleeuwen behoorde de zotskap tot de standaarduitrusting van iedere zichzelf respecterende nar, maar het is Uilenspiegel, de schelm der schelmen, die er het beroemdst mee is geworden. De felgekleurde kap hoort bij hem zoals een helm bij Don Quichot, een jachtpet bij Sherlock Holmes, een lendendoek bij Mowgli, een smoking bij James Bond of een rood kapje bij Roodkapje.

Vreemd eigenlijk, want op de oudste afbeeldingen van Uilenspiegel, de tachtig houtsneden bij het Duitse oerboek Ein kurtzweilig Lesen von Dyl Ulenspiegel aus dem Land zu Brunswick (1510), zien we hem steevast zonder hoofddeksel – met halflang, krullend haar dat naar alle kanten uitstaat en op sommige plaatjes in vettige punten eindigt. En op latere, even beroemde illustraties heeft hij andere dingen op zijn hoofd: een jagershoed met veer bij de negentiende-eeuwse lithograaf Félicien Rops, een puntmuts op de twaalf naïeve kleurprentjes die Felix Timmermans in 1933 maakte, een wit robinhoedje in de jaren-vijftigstrips van Willy Vandersteen.

Maar toch: denkend aan Uilenspiegel zien we een narrenkap met een dubbele punt, en daar gaat een mooie symboliek van uit. Wie de sporen van de veertiende-eeuwse Schalk volgt, kan namelijk twee kanten op. Naar de omgeving van Braunschweig in Midden-Duitsland, waar de historische Till Eulenspiegel het licht zag en waar zijn avonturen voor het eerst geboekstaafd werden; of naar het Vlaamse Damme, waar men lange tijd dacht dat hij begraven lag. Daar ook liet de franstalige Belg Charles De Coster de beroemdste bewerking van Tijls levensverhaal beginnen: La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d’Ulenspiegel et de Lamme Goedzak aux Pays de Flandres et ailleurs (1867).

TILL_E~1 (2)Op beide plaatsen wordt de nagedachtenis van Uilenspiegel levend gehouden in nieuwe musea, waarvan het Duitse zelfs gebouwd is in de vorm van een zotskap. Niet dat je dat onmiddellijk ziet. Als je het oude centrum van het onder Braunschweig gelegen Schöppenstedt bent doorgereden en aankomt bij het Till Eulenspiegel-Museum, valt vooral de weinig sfeervolle buitenwijk rondom het in hout, glas en ijzer uitgevoerde gebouw op. Pas daarna zie je de welving van het dak, die op een subtiele manier herinnert aan Uilenspiegels handelsmerk. Waarbij de bezoeker geholpen wordt door de beelden die in de voortuin van het museum staan. Bij de oprijlaan een klassieke narrenfiguur met in zijn ene hand een uil (in de Middeleeuwen nog het symbool van de domheid) en in zijn andere een spiegel (waarmee hij anderen hun zotheid kan laten zien), en iets verderop Uilenspiegel tussen vijf kippen die hij met stukjes brood aan een web van draden heeft gevangen – een beroemde scène die in de negentiende eeuw door Wilhelm Busch zou worden gekopieerd in zijn Max und Moritz-strips.

De kwajongens van Busch zijn twee van de vele ‘neefjes Uilenspiegel’ die in de afgelopen eeuwen de Europese literatuur onveilig hebben gemaakt; in Nederland hoef je maar te denken aan Pietje Bell of Dik Trom, of – als je naar volwassen schelmen zoekt – aan Jan Cremer of de hoofdpersonen van de romans van Ronald Giphart en Arnon Grunberg. Tegelijkertijd is ook de oorspronkelijke Uilenspiegel dankzij tientallen hervertellingen van zijn avonturen uitgegroeid tot een begrip, een soortnaam. In de Dikke Van Dale staat hij net als casanova en donjuan met een kleine letter vermeld (‘iem. die graag schelmenstreken uithaalt’), in het Duitse woordenboek staat zijn naam voor een ‘guitenstreek’, en in het Frans is hij zelfs een bijvoeglijk naamwoord geworden: espiègle, ‘schalks’. Voor de Duitsers is Uilenspiegel een nationale held, al was het alleen maar omdat hij op zijn vijftiende-eeuwse omzwervingen bijna alle belangrijke plaatsen van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie aandoet. Voor de Belgen is hij de belichaming van de Vlaamse levenslust en vrijheidsdrang. En voor Harry Mulisch, die hem in een lezing ooit contrasteerde met de typisch Duitse Faust, is hij de ultieme Nederlandse cultuurheld: boers, spotlustig, altijd in voor een handeltje.

Braunschweig_Brunswick_Eulenspiegel_Altstadtmarkt_1519Erg sympathiek lijkt Mulisch Uilenspiegel niet te vinden, en wie het Hoogduitse ‘volksboek’ uit 1510 leest kan het alleen maar met hem eens zijn. Tijl is al van jongsaf een ettertje; als hij als peuter bij vader Claus achterop het paard zit, toont hij alle boeren zijn gat, om vervolgens te klagen dat iedereen hem een schelm en een nietsnut noemt. Hij liegt en bedriegt, is een dief en een vandaal, en brengt in zijn twaalf-ambachten-dertien-ongelukkentijd zijn werkgevers tot wanhoop door hun opdrachten en verwensingen letterlijk uit te voeren. Het is sterker dan hemzelf, merkt de schrijver van het volksboek op; hij kan het niet laten ‘Schalkheit zu tun’’. Niet uit wraak, niet om er financieel beter van te worden, maar gewoon omdat hij er lol in heeft mensen te treiteren en dingen kapot te maken. Wie de Batmanfilm The Dark Knight zag, zal in de superschurk The Joker de moderne versie van Uilenspiegel herkennen. Van de oorspronkelijke Uilenspiegel dan, want in de loop der eeuwen werd Tijl steeds vaker geannexeerd door kinderboekenschrijvers en veranderde hij van een Bürgerschreck in een olijke eenling.

In het volksboek is de hoofdpersoon meedogenloos tegen zieken, joden, visueel gehandicapten en vooral dieren; zo moet hij bij een brouwer hop koken maar gooit hij de huishond (die niet geheel toevallig Hop heet) in het kokende water, en vermoordt hij zonder blikken of blozen zijn paard om de hertog van Lüneburg te slim af te zijn. Daarbij haalt hij voortdurend ‘grappen’ uit waarbij zijn eigen stront het basismateriaal is, met als dieptepunt de keer dat hij een lift krijgt van een vriendelijke boer en als dank diens kar vol pruimen volschijt. Op zeker een dozijn van de begeleidende houtsneden zie je Tijl dan ook hurken boven een dikke drol. De bezorgers van de modern-Duitse vertaling (Ein kurzweiliges Buch von Till Eulenspiegel) haasten zich te zeggen dat we de poep- en pieshumor en de wreedheden aan de harde, middeleeuwse Zeitgeist moeten wijten: ’s levens felheid, zoals de historicus Huizinga het noemde, had weinig op met compassie en beschaafde manieren.

UlenspiegelGelukkig zitten er tussen de 96 ‘historiën’ ook een paar verhalen met eeuwigheidswaarde. H.C. Andersen heeft zijn idee voor ‘De nieuwe kleren van de keizer’ ongetwijfeld ontleend aan het verhaal van Tijls schilderscarrière aan het hof van Hessen: na wekenlang feestvieren op kosten van de landgraaf toont Uilenspiegel een wit doek en zegt hij er bij dat niemand die overspelig is de schildering kan zien. Ook mooi is Tijls optreden als ziekenhuisdokter in Neurenberg. Door de patiënten in te fluisteren dat hij zwakste van hen tot poeder zal verbranden om de anderen te genezen, weet hij alle bedlegerigen in elk geval voor een paar dagen het hospitaal uit te krijgen. Sowieso kun je alleen maar bewondering hebben voor de vindingrijkheid van Tijl om telkens weer iets anders te verzinnen om de mensen op te lichten.

‘Mijn boek kun je het allerbeste lezen wanneer de muizen zich onder de banken roeren, de dagen kort worden en de gestoofde peren goed smaken bij de nieuwe wijn.’ Aldus de auteur van het volksboek in zijn voorwoord. Hij was waarschijnlijk even vergeten wat voor smerigheden hij had verzameld. Pikanter is eigenlijk nog dat hij met het merendeel van zijn historiën zijn eigen publiek beledigde. Want de lezers van zijn onvoorstelbaar populaire historieverzameling zullen voor een belangrijk deel uit de middenstand afkomstig zijn geweest, en die was Uilenspiegels voornaamste pispaaltje. De auteur van Ein kurtzweilig Lesen was een snob, die bovendien leefde in een tijd dat de kooplieden in de opkomende steden zich steeds sterker gingen afzetten tegen de patriciërs, het oude geld. Vooral de gilden moeten het bij hem ontgelden: Uilenspiegel maakt als gezel onder meer een smid, een schoenmaker, een snijder, een wolwever, een leerlooier, een schrijnwerker, een pelsnaaier en een barbier het leven zuur.

Wie was eigenlijk de auteur van de eerste Tijl Uilenspiegel? Heel lang ging het volksboek door voor een anoniem geschrift. Men wist dat het in Braunschweig was ontstaan (per slot van rekening lag Tijls geboorteplaats op nog geen twintig kilometer van de stad), maar het duurde nog tot 1892 voordat een wetenschapper durfde te opperen dat het geschreven was door Hermann Bote, de ‘begaafdste dichter van de 15de eeuw’, stadsschrijver van Braunschweig en bovendien auteur van verschillende werken waarin lagere burgerij ervan langs kreeg. Het bewijs kwam nog eens tachtig jaar later. Een Zwitserse puzzelaar, die ook al had ontdekt dat de beginkapitalen van de 96 hoofdstukken vier keer achter elkaar het alfabet doorliepen (van A tot Z, min de X), kwam erachter dat eerste letters van de laatste zes historiën de naam ERMAN B vormden. En laat Bote (ca 1467-1520) nu bekend staan om zijn voorliefde voor acrosticha!

Till_Eulenspiegel_01Op de simpele tentoonstelling in het museum in Schöppenstedt wordt niet alleen met behulp van facsimiles en reproducties een beeld gegeven van Bote en zijn tijd, maar wordt ook een poging gedaan om Uilenspiegel zelf van een historische achtergrond te voorzien. Dat is nog niet zo gemakkelijk. De oudste vermelding van zijn naam is in een Latijnse briefwisseling uit 1411: twee historici hebben het daarin over een Uilenspiegel-‘geschrift’– niet alleen de bron voor de latere bestseller van Bote, maar ook een aanwijzing dat Uilenspiegels avonturen al wijd en zijd bekend waren. Ook zijn achternaam blijkt al in de veertiende eeuw als familienaam voor te komen, wat bijzonder is omdat die vroeger door de geleerden als een literaire constructie werd beschouwd. Een eenduidige verklaring is trouwens nooit voor die naam gegeven: sommigen zagen het boek als een spiegel (leerboek) voor uilskuikens, anderen wezen erop dat de naam in plat-Duits ‘je gat afvegen’ betekent, en Charles De Coster bracht de bijnaam in verband met het psychologisch inzicht van Tijl: ‘Ik ben ulieden spiegel.’

Historisch gezien zit er weinig anders op dan Bote te geloven als hij schrijft dat Uilenspiegel geboren werd in Kneitlingen (tegenwoordig gemeente Schöppenstedt) en overleed op ongeveer vijftigjarige leeftijd in het Noord-Duitse Mölln, tijdens de grote pestepidemie van 1350. De bewoners van Mölln hebben dat laatste graag geloofd; zij fabriceerden twintig jaar na het verschijnen van Botes boek een grafsteen met een beeltenis van een man getooid met hoed – uil en spiegel in zijn handen – en een tekst waarvan de eerste regels luiden:

Anno 1350 is düsse
stein upgehauen un[d]
[ti]lle ulenspegel legt
hir under begraben.

Vreemd genoeg hielden de Möllenaren zich met dit grafschrift niet aan de traditie. Volgens Botes laatste regels stond op Uilenspiegels graf: ‘Diesen Stein sol nieman erhaben. Hie stat Ulenspiegel begraben. Anno domini MCCCL jar.’  Want doordat Tijls doodkist ongecontroleerd het graf in was gegleden, lag hij niet, maar stond hij, en dat had men maar zo gelaten, onder het motto ‘Wonderlijk was hij in zijn leven, laat hem ook maar wonderlijk zijn in zijn dood.’

Eulenspiegel_01.01De zogenaamde grafsteen is ingemetseld in de Nikolaikirche in Mölln, en is daar achter tralies te zien. Op de tentoonstelling in Schöppenstadt staat een replica – zoals er überhaupt weinig origineels te vinden is in het Eulenspiegel-Museum, met zijn gravures, zijn reproducties en zijn foto’s van de ‘Bruder Eulenspiegel Gesellschaft’ (ereleden Konrad Adenauer, Johannes Rau en Peter Maffay). Wie contact wil met de ‘echte’ Uilenspiegel wordt verwezen naar het nabijgelegen ‘Dorf Kneitlingen’, dat als Tijls geboorteplaats de spin in het web is van de wandel-, fiets- en autoroutes die de plaatselijke VVV in de voetsporen van Uilenspiegel heeft uitgezet. Maar ook daar komt de aartsschelm je minder nabij dan in het boek van Bote. Het glooiende landschap rondom is onbedorven, de bossen en korenvelden onder de weidse wolkenluchten zullen weinig veranderd zijn sinds de veertiende eeuw, en het dorpje zelf is alleszins vriendelijk, met vakwerkhuizen en een lichte mestgeur. Maar je krijgt toch een beetje het gevoel in een practical joke van Uilenspiegel beland te zijn wanneer je naar de plaats van het geboortehuis geleid wordt. Behalve het romaanse kerkje (waarvoor sinds 1947 een stenen standbeeld van Uilenspiegel staat) is er niets veertiende-eeuws te zien. De bedevaartganger  moet het doen met een schijnbaar oud huisje, achteraan op het kerkhof, dat op zijn eftelings is ingericht met Uilenspiegelmemorabilia.

Ook de noordwesthoek van Vlaanderen heeft een Uilenspiegelroute; een toeristische rondgang door het polderland – kaarsrechte kanalen, hoge populieren, oude stadjes – die begint en eindigt bij de enige plaats die écht iets met Tijl te maken heeft. Immers, in Damme was tijdenlang een graf van Uilenspiegel te vinden. De Duitse schelm was vanaf 1525, toen de eerste vertaling van het volksboek verscheen, razend populair in de Nederlanden; en al een eeuw later verscheen in Antwerpen een druk waarin Uilenspiegel niet in Mölln maar in Damme sterft. Zijn grafzerk, zo bleek ook uit een bijgevoegde illustratie, lag verweerd en wel onder de klokkentoren van de Onze Lieve Vrouw; compleet met afbeelding van een uil die naast een spiegel zit.

Uilenspiegel in Damme (foto Zeisterre)

Uilenspiegel in Damme (foto Zeisterre)

Een loepzuivere, zestiende-eeuwse vervalsing, vertelt de man achter de balie van het Tijl Uilenspiegelmuseum, dat is gehuisvest in het laat-middeleeuwse trapgevelhuis ‘De Grote Sterre’ op de markt van Damme. De uil met de spiegel werd gegrift over een uitgesleten Latijnse inscriptie waarmee een andere beroemdheid geëerd werd die in Damme zijn laatste adem uitblies: de dertiende-eeuwse dichter Jacob van Maerlant. Een Brugse advocaat, die de oorspronkelijke steen als jongeman nog had gezien, schreef daar zelfs in 1637 een verontwaardigd pamflet over, maar het mocht niet baten: de Uilenspiegelfans bleven naar de kerk van Damme stromen, totdat de pastoor van het plaatsje dit soort wereldse pelgrimages – naar het graf van een kerkhater nog wel – beu werd en de grafsteen in 1730 liet omkeren. Nog weer later werd de steen verkocht aan een ondernemer die hem in tweeën hakte en verkocht aan het kerkhof van het Zeeuws-Vlaamse Sluis.

Uilenspiegel had zijn steen toen allang niet meer nodig, want in 1867 was een nieuw monument voor hem opgericht, door de Franstalige Brusselaar Charles De Coster (1827-1879). Een monument in woorden dat tegenwoordig bekendstaat als La Légende, en waarin de practical joker herschapen werd als een Vlaamse vrijheidsheld in de Tachtigjarige Oorlog; een dikke roman die samen met De leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience geldt als de pijler onder de Belgische literatuur en die met enige vertraging ook internationaal een groot succes zou worden. ‘Het bier vloeit er net zo rijkelijk als het bloed,’ schreef een criticus over La Légende, maar dat was niet de voornaamste reden voor de grote populariteit. Het was het juiste boek op het juiste moment. België was een jonge staat en kon wel een nationaal epos gebruiken – zeker een dat ging over een Vlaming en was geschreven in het Frans. Bovendien viel een antikatholieke, liberale roman over een gewone volksjongen in goede aarde in tijden van de emancipatie van de arbeidersklasse.

bote057aLa Légende d’Ulenspiegel wordt tegenwoordig weinig gelezen. Ten onrechte, want het boek (vertaald door onder anderen de communistische schrijver Teun de Vries) is goed geschreven, slim opgebouwd en af en toe huiveringwekkend. De Coster wist de legende te enten op de vaderlandse geschiedenis, en koppelde de geboorte van Uilenspiegel, in mei 1527, aan die van de Spaanse kroonprins Filips II. Hun levens zijn verbonden – al was het alleen maar doordat het de wetten van Filips’ vader Karel V zijn die Tijls familie en vrienden in het verderf storten. Zijn vader Claes wordt door de Inquisitie als ketter verbrand, zijn moeder Soetkin en hij worden gefolterd en de moeder van zijn vriendinnetje, Kathalijne, wordt krankzinnig na een hardhandige ondervraging in een heksenproces. Het verandert Tijl van een vrolijke frans in een politieke rebel, die samen met zijn vriend Lamme Goedzak op zoek gaat naar ‘de Gordel’, symbool van het verbond tussen de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden.

Bij De Coster belichamen de hoofdfiguren uit de Uilenspiegelsage typisch Belgische eigenschappen. ‘Claes is je moed, nobel volk van Vlaanderen’ zegt Kathalijne bij Tijls geboorte; ‘Soetkin is je dappere moeder, Ulenspiegel je geest; een lief en aardig meisje, metgezel van Ulenspiegel en net als hij onsterfelijk, zal je hart zijn, en een gezellige dikbuik, Lamme Goedzak, je maag.’  En aan het eind van het boek, wanneer Tijl na veel omzwervingen zijn Nele heeft teruggevonden, zegt hij dat de geest en het hart van moeder Vlaanderen weliswaar af en toe mogen slapen, maar dat ze nooit zullen sterven. ‘En hij vertrok met haar terwijl hij zijn tiende liedje zong, maar niemand weet waar hij zijn laatste zong.’

In het veertiende-eeuwse museum op de markt in Damme, de locatie van een van de ‘lustige streken’ uit de Légende, krijg je een mooi beeld van het pijpen waarnaar Uilenspiegel de afgelopen anderhalve eeuw heeft moeten dansen. Posters, boeken en merchandise laten zien hoe Tijl werd geannexeerd door nationalisten (de Vlaamse Beweging), marxisten, nationaal-socialisten en anarchisten (die beide een maandblad naar hem noemden) en militairen (van het Belgische leger tot de Waffen-SS). Er zijn mensen geweest die vonden dat hij een beter lot had verdiend. Wijlen Hugo Claus bijvoorbeeld. Hij maakte in 1965 een Uilenspiegelbewerking voor het toneel waarin hij duidelijk naar voren bracht dat de Vlaamse aartsschelm voor niemands karretje mag worden gespannen, en dat het tegen zijn natuur is om de gevestigde orde te dienen.

Als er één gevestigde orde is die Uilenspiegel heeft omarmd, dan is het de toeristenindustrie. Smeerkazen, biermerken, hotelarrangementen, wandelroutes – Tijl heeft ze allemaal helpen verkopen. We kunnen ons troosten met de gedachte dat hij er als geboren sjacheraar niets op tegen hebben gehad, maar het doet wel iets af aan de moderne pelgrimage naar Damme, waar elk tweede café of restaurant heet naar een personage uit La Légende. Gelukkig is er op een boogscheut afstand van de Markt nog altijd de ruïne van de Onze Lieve Vrouw. Weg van het toeristisch gewoel, in het midden van een grasveld waarin nog schapen staan, is het de beste plaats om aan de vercommercialiseerde Uilenspiegel te ontsnappen. De kerk zelf is al een bezienswaardigheid: transept en middenschip zijn afgebroken toen het Damme in de achttiende eeuw economisch slecht ging; de bijna vrijstaande toren heeft geen spits meer en rijst robuust-vierkant veertig meter de hemel in. In de entree tot de toren hangt het eind-negentiende-eeuwse reliëf dat Jacob van Maerlant eert, en wie één euro betaalt mag de arduinen trap naar de top beklimmen.

Het uitzicht op het platte dak is adembenemend, juist omdat het voor de helft zo pietepeuterig is. Het oog trekt het eerst naar het westen, waar de haven van Zeebrugge glinstert; daarna richting Brugge in het zuiden, waar naast het belfort de kranen van de nieuwe bouwprojecten de lucht in priemen. En dan naar het oosten, waar op het eerste gezicht niets de indruk wekt dat je je in de eenentwintigste eeuw bevindt. De oude stadswal, pittoreske hoeves, kleine akkertjes, bosschages, hier en daar een waterpartij – dit is het landschap waarin je Uilenspiegel kunt verwachten, fluitend op weg van zijn twaalfde ambacht naar zijn dertiende ongeluk, broedend op een nieuwe streek die hij de brave burgers van West-Vlaanderen kan leveren, vluchtend voor de machthebbers die hij tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Want niemand weet waar hij zijn laatste lied zal zingen.

Het bovenstaande artikel is een hoofdstuk uit mijn boek ‘Macbeth heeft echt geleefd –  Een reis door Europa in de voetsporen van 16 literaire helden’ (uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2011)

Advertenties

One thought on “Tijl Uilenspiegel

  1. Mooi stuk, Pieter. Ik moest ook denken aan soldaat Svejk, een loepzuivere reincarnatie van Till. Voor de rest weet ik er niet veel van en vind ik het alleen maar leuk dat een vakbondsman (willen we naar de dam?) de volksboeken heeft geschreven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s